Stichting Herstelling en de gemeente Amsterdam

1.Korte inhoudsopgave

In dit document wordt de geschiedenis van stichting Herstelling en de relatie met de gemeente Amsterdam beschreven. De eerste vier pagina’s gaan over de ontstaansgeschiedenis van de stichting (1996) en haar uitvoeringspraktijk, zowel op het gebied van de werkloosheids-bestrijding als burgerschapskunde. Aan de oorspronkelijke samenwerking tussen Herstelling en de gemeente Amsterdam kwam met het ontstaan van de gemeentelijke Dienst Werk en Inkomen (DWI) een einde. Er vond een scheiding van tafel en bed plaats. In een Convenant (2008) werden de onderlinge taken en verantwoordelijk-heden geherdefinieerd. Kort samengevat kwam dat hier op neer: de stichting kreeg de (gedeelde) verantwoordelijkheid voor communicatie en het doorontwikkelen en verfijnen van de zogeheten methode-Herstelling. De uitvoeringspraktijk kwam geheel binnen de nieuwe dienst te liggen, onder de naam “DWI Werkbedrijf Herstelling”. Beide partijen bleven in Suriname en later in Curaçao gezamenlijk aan projecten werken. Aard van de overzeese samenwerking was het uitwisseling van ervaring en deskundigheid. In Curaçao trokken beide partijen op binnen de Overeenkomst tot Samenwerking tussen Curaçao en de gemeente Amsterdam (april 2013). In het laatste deel van dit document wordt de uitvoeringspraktijk van het gemeentelijk werkbedrijf DWI kort behandeld.

2.Oprichting van de stichting Herstelling

In 1995/1996 voerde de Gemeentelijke Dienst Maatwerk de JeugdWerkGarantiewet (JWG) maatregel uit, die erin voorzag dat jongeren die zonder werk waren, een baan aangeboden kregen. Het lukte de Dienst echter niet enige honderden jongens aan het werk te krijgen. Hoofdreden: een verkeerde attitude. Dit leidde tot een boete voor de Gemeente Amsterdam, opgelegd door het Ministerie van Sociale Zaken. De toenmalige wethouder in Amsterdam (Jaap van der Aa) eiste van het Projectbureau van Maatwerk onmiddellijke actie om deze groep uit de uitkering te krijgen.

Ambtenaren van de Dienst Maatwerk ontdekten het bestaan van de fortengordel rond Amsterdam (42 forten in een cirkel van 135 km). De forten stonden leeg en lagen in een verwilderd landschap buiten de stad. Bij uitstek een geschikte omgeving voor de beoogde groep om werkervaring op te doen onder deskundige begeleiding. Een bijkomend voordeel was dat een deelnemer niet eenvoudig zijn werk kon verlaten en last but not least: een deelnemer werkte aan iets zinnigs en blijvends hetgeen zijn eigenwaarde en beroepstrots stimuleerde.

Het eerste fort waarop werd gewerkt was de Fort Abcoude, een fort uit 1885 dat dicht bij Amsterdam ligt. Toen de pilot een succes bleek, leidde dit in 1996 tot de oprichting van stichting Herstelling door de gemeentelijke dienst Maatwerk en de provincie Noord-Holland. De mission-statement van de stichting werd werken en leren op gebouwd cultureel erfgoed. Een bijzonder werkgelegenheidsproject was geboren en werd bewierookt in de media en door de Amsterdamse politiek.

De provincie vervulde een stimulerende en faciliterende rol in het ontstaansproces. Ze verstrekte een forse subsidie bestemd voor het vervoer van de jongeren van en naar de werkobjecten op de Stelling. Die betrokkenheid is gebleven. Gedurende ruim 13 jaar heeft ze de stichting gesubsidieerd en bij de forteigenaren gepromoot. Ook in het opzetten van een internationaal netwerk speelde de provincie een belangrijke rol. Hierover later meer.

De betrokkenheid van de provincie kwam voort uit het toezicht dat ze hield op de monumentale waarde van het verdedigingswerk (sinds 1997 op de Werelderfgoedlijst van de UNESCO). De forten zelf waren eigendom van gemeentes, Natuurmonumenten, Defensie en Landschapsbeheer.

2.1 Organisatie en methode

De bestuursleden van de nieuwe stichting kwamen uit het sociale domein, de rijksoverheid en het particuliere bedrijfsleven. Het personeel van de stichting was in dienst bij Maatwerk (ambtenaren) en van daaruit gedetacheerd bij de stichting. De deelnemers waren aanvankelijk schoolverlaters die in het kader van de JWG en later de Wet Inschakeling Werkzoekenden (WIW) eenvoudige onderhoudswerkzaamheden op de forten uitvoerden met als doel verder verval van de bouwwerken tegen te gaan. Deze schoolverlaters waren veelal afkomstig uit z.g. Probleem Cumulatiegebieden in de stad en moeilijk elders op additionele arbeidsplekken te plaatsen door hun gedrag en vaak justitiële contacten. Werken was in hun omgeving eerder uitzondering, het hebben van een uitkering (heel) normaal. De groep had grote moeite met gezagsaanvaarding en een gebrek aan werkelijkheidszin. De werkzaamheden bevatten: onderhoud van het zwaar verwilderde groen, graafwerk, herstel bestrating en simpel metsel-, timmer- schilder- en dakdekwerk. Later werden ook metalen onderdelen van de forten in de eigen werkplaats van Herstelling geconserveerd, hetgeen gebeurde onder toezicht van de provinciale monumentendienst en de stichting de Stelling van Amsterdam.

In afspraken over de te verrichten werkzaamheden stond additionaliteit voorop: dus geen verdringing van regulier werk. Ook geen tijdsdruk voor de deelnemers: de focus lag op het aanbrengen van werknemersvaardigheden en gezagsaanvaarding. Voor de werkzaamheden bracht men aan de forteigenaren alleen de gebruikte materialen in rekening.

Herstelling kreeg na verloop van tijd een officiële erkenning als leerwerkbedrijf bouw/metaal /electro/dakdek en werd daardoor een volwaardig voortraject voor diverse beroeps-opleidingen. Tevens werd de stichting een ‘terugvalplek’ voor deelnemers aan beroeps-opleidingen die als gevolg van hun gedrag nog wat tekort kwamen.

De jongeren bij de stichting kregen een arbeidsovereenkomst met minimumloon en volledige reiskostenvergoeding. Toen vanaf 2004 de WWB-regeling gehanteerd werd, werd dat een stagevergoeding, exact hetzelfde bedrag als de bijstand (maar kon op die manier uit het participatiebudget worden gefinancierd).

De primaire arbeidsvoorwaarden dienden tevens als ingang om voorlichtingsbijeenkomsten over en met de vakbeweging te organiseren over de opbouw van een loonstrook en de wijze waarop de sociale zekerheid wordt gefinancierd. Verhelderend voor veel jongeren die dachten dat ze leefden in een grote Bijenkorf zonder kassa!

Voor de vakbeweging een goede gelegenheid om met deze jongeren in contact te komen, voor de jongeren een eerste contact met zoiets als een vakbeweging.

Een wederkerend discussiepunt was het dragen van goede en veilige werkkleding. Aan gezonde voeding besteedde men ook royaal aandacht. Omdat velen zonder ontbijt van huis gingen, werd er een gratis ontbijt-/lunchpakket verzorgd. Dit was de stimulus voor de latere (succesvolle) eigen Horeca-opleiding. Een andere overweging hierbij was de behoefte om voor meiden ook een traject te ontwikkelen. Het bij elkaar brengen van jongens en meiden in een groep was geen succes gebleken, en daarbij kwam ook nog dat meisjes weinig belangstelling hadden voor technische beroepen.

2.2 Werkmeesters en overig personeel

Binnen de dienst Maatwerk bleek het niet mogelijk medewerkers te vinden die deze groep vaktechnisch en intensief konden begeleiden. Al snel was duidelijk geworden dat het hier om een bijzonder zware tak van ‘sport’ ging. De eerste werkmeesters in ambtelijke dienst waren vooral bouwvaklieden die door fysieke beperkingen in de toenmalige WAO terecht waren gekomen. Een ongebruikelijke maar wel bewuste keuze!

  • vanuit jarenlange praktijkervaring wisten deze mensen welk arbeidsethos nodig is voor werk in de bouw en overige sectoren (op tijd komen, goede omgangsvormen, collegialiteit). En hoe belangrijk veilig werken is.
  • als erkend leermeester waren zij in hun ambacht jarenlang begeleiders van nieuwe jonge collega’s die het vak nog moesten leren
  • Door hun vakkennis hadden zij autoriteit en konden de liefde voor het werk overbrengen.

Uiteraard moesten de werkmeesters naast vakmanschap ook over veiligheidsbesef en educatieve vaardigheden beschikken. Daarvoor organiseerde de toenmalige Stichting Vakopleiding Bouw speciale cursussen.

De werkmeesters begeleidden maximaal zes deelnemers per persoon omdat de ervaring leert dat zes (6) een ideale mix is vanwege groepsdynamica en de intensiteit van de begeleiding (het werken bijvoorbeeld van ondeskundige deelnemers met gemotoriseerde machines, op grote hoogte, etc. vraagt om extra toezicht). Naast de werkmeesters kwamen er trajectbegeleiders voor het contact met andere instanties. Ook zij kwamen voor een groot gedeelte uit de wereld van de ambachten met het daarbij horende netwerk.

Werkende weg kwam een intensief contact met de politie tot stand in verband met de vele jongeren met criminele antecedenten. Dit leidde uiteindelijk tot een detachering van een in de jeugdcriminaliteit gespecialiseerde inspecteur van politie bij Herstelling. Dit was zowel in het belang van de deelnemers als de werkleiding. Preventie werd niet uit het oog verloren: er was aandacht voor schuldhulpverlening met professionele medewerkers. Veel deelnemers hadden immers schulden die voor hen onoplosbaar waren en hun werk en scholing belemmerden.

2.3 Werken en leren op gebouwd cultureel erfgoed

De forten van de stelling van Amsterdam liggen altijd in een landelijke omgeving (prikkelarm). Essentieel voor het werken met de doelgroep en het toekomstperspectief.

De uitstroom schommelde gemiddeld rond de 60%, wat gezien de doelgroep en de conjunctuur in de bouw, groen en metaal een prestatie genoemd kon worden.

Werken en leren op gebouwd cultureel erfgoed bleek een goed werkende formule te zijn. Een monument werd behoed voor verder verval, de uitstroomcijfers waren gunstig, en een complex netwerk van uiteenlopende organisaties en belangen viel op dit thema te organiseren. De stichting bouwde dan ook een uitstekende naam op in Amsterdam en daar buiten. Bij raadsleden, landelijke politici, bestuurders, stafleden en bij de media en het publiek. Zo bezocht Koningin Beatrix in gezelschap van burgemeester Cohen in 2005 het project. Ook diverse verantwoordelijke ministers, staatssecretarissen, wethouders en Kamerleden kwamen op bezoek. Tijdens het staatsbezoek van het koninklijk echtpaar van Zweden - dat in het teken stond van de arbeidsmarkt – brachten zij samen met de burgemeester een bezoek aan de deelnemers op Fort Kudelstaart.

Ook in de media was ruime belangstelling tot zelfs in de buitenlandse pers toe (Duitsland, België, Denemarken en Japan!). Jaarlijks organiseerde het stichtingsbestuur een druk bezochte nieuwjaarsreceptie, waar instellingen van velerlei pluimage en die normaliter geen banden met elkaar hadden, onder de gemeenschappelijke noemer “jeugdwerkloosheids-bestrijding” contact met elkaar kregen. (Voor de jaarverslagen zie bijlagen).

2.4 Burgerschapskunde en antisemitisme

Leren werken vormde het fundament van de methodische aanpak maar tegelijkertijd was er aandacht voor maatschappelijke vraagstukken, waaronder het antisemitisme dat zich al vrij snel manifesteerde. Uit die (schokkende) ervaring kwam de doelbewuste keuze voort om de deelnemers in contact te brengen met het verzet en de Holocaust. Een hoogtepunt was zonder meer het werken van een grote ploeg jongens op het voormalige concentratiekamp Neuengamme. Veel indruk maakte de gezamenlijke kranslegging (2001) met ex-burgemeester Schelto Patijn en de heer Van Gent (/politieman/oud-verzetsstrijder en voormalig gevangene in Neuengamme). Van Gent is daar drie dagen onze gast geweest wat emotioneel en aangrijpend was. Hierover is een reeks artikelen verschenen in het Parool die de stichting vervolgens in een boekje heeft gebundeld en verspreid (zie bijlage).

In de voorbereiding van Neuengamme bezochten de werkmeesters met de pupillen het Verzetsmuseum. Later kwamen er jaarlijks werkweken op Herinneringscentrum kamp Westerbork bij. Voor de meeste jongens was dit de eerste keer dan men iets vernam over de Tweede Wereldoorlog en in het bijzonder waar rassenhaat en antisemitisme toe kunnen leiden. Ook hiervoor kreeg de Stichting waardering bij de pers en in de politiek voor.

Minder belastend was het thema Maatschappelijke oriëntatie. In dat kader bezochten de deelnemers bijv. het Zuiderzeemuseum om kennis te nemen van de arbeidsomstandigheden van vroeger en de toen bestaande beroepen. Het museum maakte er een film over. Daarvoor verbleef een aantal jongeren een weekend in een oud touwslagerhuisje. Een succes bij het publiek en op de regionale televisie. Idem voor de discussiemiddagen over schadelijk gebruik van softdrugs, hetgeen nogal wat losmaakte en ons niet altijd in dank werd afgenomen door buitenstaanders. Tijdens Gemeenteraadsverkiezingen nodigde de leiding gemeenteraadsleden uit om op de forten van gedachten te wisselen over de aanpak van de jeugdwerkloosheid.

3. Samenwerking Dienst Werk en Inkomen en Stichting Herstelling (2008)

Een fusie tussen de Sociale Dienst, Maatwerk Amsterdam en de zelfstandige onderneming NV Werk (ID banen) leidde op 1 januari 2005 tot de nieuwe Dienst Werk en Inkomen (DWI). In dat overgangsjaar ontstond een diepgaand en fundamenteel verschil van mening tussen enerzijds de directeur Maatwerk en directeur Herstelling en anderzijds de nieuwe directie van de DWI over de positie van stichting Herstelling.

De nieuw aangetreden DWI-directie nam een positie in waarbij de markt zaligmakend was en de re-integratie volledig moest worden uitbesteed. Zij trad hierin roomser dan de paus op want de regelgeving liet toe dat een (klein gedeelte) van deze activiteiten in eigen beheer kon worden uitgevoerd. Over dat neoliberale geluid zei de toenmalige directeur van Herstelling bij zijn afscheid: “Bovendien gaat het er bij mij niet in dat privatisering altijd het openbaar belang dient en dat een re-integratie-ondernemer een betere rentmeester van het openbaar belang zou zijn dan mensen in overheidsdienst!”

In het grimmige conflict nam wethouder Aboutaleb een belangrijke beslissing onder het motto: in Amsterdam ben ik de marktmeester! Er kwam een extra afdeling bij de DWI: de afdeling Werk en Uitvoering, later Werkbedrijf Herstelling geheten. In deze afdeling werd de complete werkorganisatie van Herstelling ondergebracht.. Aan de uitvoerende werkzaamheden van de stichting kwam hiermee een einde. Ze ging zich vanaf dat moment richten de methodiek-ontwikkeling, de communicatie en gezamenlijke met DWI op overzeese projecten.

De taakverdeling legde men (2008) vast in een Convenant: Samenwerking Dienst Werk en Inkomen en Stichting Herstelling, dat inging per 1 januari 2008 voor de duur van vijf jaar en intussen stilzwijgend verlengd is tot 31 december 2017 (zie bijlage). Over de aard van de samenwerking tussen DWI en de Stichting staat daarin te lezen, paragraaf 4.2: “De verantwoordelijkheid voor de bedrijfsvoering, de kwaliteit en effectiviteit van de uitvoering van de re-integratie in het Werkbedrijf Herstelling is de taak en bevoegdheid van de directie DWI. De samenwerking met Stichting Herstelling is echter gebaseerd op het gezamenlijk verfijnen en ontwikkelen van de re-integratiemethodiek. Los van de formele bevoegdheid werken om die reden beide directeuren (directeur Werkbedrijf Herstelling en directeur Stichting Herstelling) nauw samen om, naar de aard en geest van dit convenant, de resultaten te boeken. Dit zelfde geldt voor het bestuur van Stichting Herstelling en de directie DWI”.

Overeenkomstig deze afspraak heeft de stichting energie gestoken in het documenteren en doorontwikkelen van de “methode Herstelling”. Zo heeft in opdracht van het bestuur de arbeids- en organisatieadviseur Vrooland De methode Herstelling beschreven (zie bijlage) en Werdmölder de Rol en taak van een werkmeester. Ook heeft het stichtingsbestuur het initiatief genomen om de Vinkebrug-methodiek, een zuivere variant van de methode Herstelling, te documenteren en heeft ze onlangs op 1 oktober een succesvol seminar over deze aanak georganiseerd voor een breed publiek van deskundigen (zie bijlage).

3.1 Internationale activiteiten van de Stichting Herstelling

Herstelling heeft toujours de blik gericht gehad op het buitenland. In de Maatwerk-jaren lag de focus op reguliere samenwerking met collega’s uit Duitsland, Denemarken en België, waarbij men ook op elkaars projecten werkte: forten bij Antwerpen, enWestwal Kopenhagen bijvoorbeeld.

Later richtte de blik zich overzee. Samen met Maatwerk (en later de DWI) en met financiële steun van de afdeling Internationale Betrekkingen en DMO zijn projecten uitgevoerd in Suriname en Curaçao met als insteek: werken en leren op gebouwd cultureel erfgoed en wederzijdse kennisoverdracht. Dit kwam (bij toeval) tot stand tijdens een werkconferentie van Herstelling in het provinciehuis te Haarlem met buitenlandse collega’s. Een van de Surinaamse gasten (hoofd Cultuur) vroeg aandacht voor de jeugdwerkloosheid in Suriname en het grote aantal vervallen monumenten. Monumenten zo betoogde hij die behoren tot het Gemeenschappelijk Cultureel Erfgoed van Nederland/Suriname. Dit leidde tot een langjarige samenwerking. Hiervoor werden subsidies in Europa, VNG en bij Buitenlandse Zaken aangevraagd en gekregen. Hecht was de permanente samenwerking met de afdeling Internationale Zaken van de gemeente Amsterdam te noemen. Elke stap ging in overleg. Het werken in Suriname en op Curaçao heeft Herstelling meerwaarde gegeven, de kennis over de culturele achtergronden van de pupillen nam daardoor toe.

Basis van de samenwerking was (is?) het gemeentelijke beleid om 2% van het personeelsbudget van een dienst te kunnen besteden aan activiteiten in herkomstlanden van Amsterdammers; Suriname, Marokko, Turkije etc. De noemer was kennisoverdracht. De gemeente vergoedde de reis- en verblijfskosten van ambtenaren die aan die activiteiten deelnamen. In dit concrete geval: DWI leverde de deskundigen, IB/DMO financierden en Herstelling plande en organiseerde de projecten. Van 2002 tot 2012 is op die manier vruchtbaar gewerkt aan mooie projecten in Suriname, wat vastgelegd is in het boek Krabben aan Beton (zie bijlage). Het eerste exemplaar is in aanwezigheid van alle Amsterdamse deelnemers aan de projecten aangeboden aan wethouder Van Es die daarbij lovende woorden sprak (zie bijlage). Om de “achterban” te betrekken bij de overzeese activiteiten, hetgeen de insteek van het gemeentebestuur vormde, zijn steeds verslagen gemaakt over werkbezoeken regelmatig Nieuwsbrieven rond gestuurd (voor een voorbeeld zie bijlage).

Toen het Surinaamse avontuur beëindigde met het aantreden van de nieuwe president, ontving de Stichting een uitnodiging van mensen uit het Curaçaose onderwijsveld om te onderzoeken of op het eiland een soortgelijke samenwerking tot de mogelijkheden behoorde. Het antwoord was ja. Van 2012 heeft Herstelling, DWI/IB en Curaçaose partners met succes samengewerkt op Fort Beekenburg, een fraai verdedigingswerk uit 1703, net buiten Willemstad . Het project maakt(e) deel uit van de Overeenkomst tot Samenwerking tussen Curaçao en de gemeente Amsterdam (april 2013). Daarin staat in de annex: “de uitwisseling van kennis en ervaring tussen Stichting Herstelling Amsterdam, Dienst Werk en Inkomen in Amsterdam en het ministerie van Sociale Ontwikkeling, Arbeid en Welzijn en het ministerie van Verkeer, Vervoer en Ruimtelijke Planning (monumentenzorg) op Curaçao zal worden ondersteund”.

Aan het succes van de onderneming droeg in belangrijke mate de Koninklijke Marine op het eiland bij. De Koninklijke Marine werkte al jaren intensief samen Curaçaose overheid in het opleiden van problematische jongeren. Gedurende vijf maanden kregen die, een op militaire leest geschoeid trainingprogramma, verzorgd op de marine kazerne Suffisante. Een training met een uitstekende naam op het eiland. Wie door de opleiding kwam, was daar trots op. Ook mochten deelnemers gebruik maken van sport-voorzieningen op de kazerne. Zonder de faciliterende rol van de marine was Beekenburg beslist niet van de grond gekomen. Dat besef leefde ook bij het Amsterdamse gemeentebestuur. (Als dank voor de steun heeft burgemeester Van der Laan een persoonlijke brief geschreven aan de toenmalige commandant). De samenwerking met de marine op het eiland heeft zijn weerslag gehad op de Vinkebrug waar voormalige marinemensen werken als begeleiders onder leiding van een teammanager die nauw betrokken is gewwest met het marine-programma op Curacao. Over “het experiment op fort Beekenburg” is een kritische evaluatie gemaakt die nog duidelijk maakt hoe moeizaam het werken daar is , integenstelling tot Suriname.

4. Werkbedrijf Herstelling van de DWI

De verantwoordelijkheid voor de bedrijfsvoering, de kwaliteit en effectiviteit van de uitvoering van de re-integratie in het Werkbedrijf Herstelling is de taak en bevoegdheid van de directie DWI (Convenant 2008). De scheiding van tafel en bed tastte het innovatieve karakter van het werk niet aan. Dat was ook geenszins de intentie van het Convenant. De organisatie bleef zich ook nadien kenmerken door een proces van constante vernieuwing en verfijning van de methodiek. Werkbedrijf Herstelling kon als een vernieuwende, niet bureaucratische organisatie getypeerd worden met (voor het merendeel) zeer betrokken werknemers. De innovatieve aanpak kreeg zelfs een boost toen het gemeentebestuur op plausibele gronden besloot de re-integratie weer in eigen beheer te nemen en een apart Amsterdams re-integratiebedrijf op te zetten. De druk om nieuw werk te organiseren kwam daardoor in een stroomversnelling. Zonder volledig te kunnen of te willen zijn een overzicht van nieuw opgepakte taken en projecten:

  • Sportfort. Er werd een zogeheten Sportfort ontwikkeld, waarbij men onder deskundige begeleiding van sportinstructeurs aan de vaak slechte conditie werkte. Centraal stond teamsport, veilig klimmen, tillen en heffen en met hulpgereedschap omgaan zonder ongelukken. Het schoolfort was een voorziening voor leerplichtige schoolverlaters met als hoofddoel het terug geleiden naar school en mocht dit niet haalbaar blijken, het binden van de leerlingen aan het leerwerkproject
  • De Uitkijk. Dit moest los komen te staan van Herstelling. Op zich niet erg logisch maar moest om het Werkbedrijf niet groter te laten worden (in de tijd dat de directie DWI het Werkbedrijf niet wilde laten groeien).
  • Haventraject. In de verwachting dat in de Amsterdamse haven duizenden banen zouden ontstaan als gevolg van de vergrijzing werd in samen met het ROC van Amsterdam en ROC ASA een havencollege opgericht. Behalve aan de haven gerelateerde opleidingen kwamen er re-integratietrajecten. De verwachte banen bleven echter uit en het re-integratiegedeelte heette niet langer meer welkom op de locatie. Een alternatief vond men in een beschikbare hal op Bornhout (voormalige Banenmarkt). Vanwege additionaliteit en nuttigheid startte men met het verzamelen van niet gebruikt of afgedankt kantoormeubilair t.b.v. hergebruik. De meubels kregen een gemeentelijke herbestemming. Vaak in tijdelijke projecten. Hierdoor droeg het traject bij aan bezuinigingen en milieubesparing.
  • Het Groenteschip. Ieder jaar opnieuw ontstond in het voorjaar discussie over het werken van Polen in de aspergeteelt. Het Werkbedrijf werd gevraagd hierover na te denken. In tegenstelling tot Rotterdam en Den Haag viel de keuze niet op busjes, die van sociale dienst kantoren naar telers reden, maar op een additionele variant. Een Surinaamse Amsterdamse ondernemer stelde enige duizenden vierkante meters kas beschikbaar voor het telen van groenten die ten goede kwamen aan de voedselbank. Een voordeel was dat Amsterdam niet zoals Rotterdam en Den Haag te maken kreeg met teleurgestelde telers die ontevreden waren over het productietempo van de deelnemers.
  • Herstellingcafé. Om het bestuur van Amsterdam dagelijks kennis te laten maken met de mogelijkheden van mensen die in de bijstand zitten werd - een verwaarloosde en als opslag gebruikte ruimte in het stadhuis - omgetoverd tot Herstelling café.

5. Nieuwe wegen en nieuwe samenwerkingsverbanden

In 2014 trad een nieuw College in Amsterdam aan. Meest opmerkelijke was de oppositierol van de PvdA, na een eeuw onafgebroken besturen, en de toetreding van de SP tot het College. Onder invloed van de SP brak het College met het vertrouwde re-integratiebeleid onder de noemer “Koersbesluit Re-integratie”. In de toelichting van de verantwoordelijke SP wethouder: “In Amsterdam willen we recht doen aan mensen. Dat betekent dat alle Amsterdammers moeten kunnen meedoen op een manier die past bij hun talenten en mogelijkheden. Op dit moment vinden we dat principe niet voldoende terug in het re-integratiebeleid. Het beleid van het vorige college richtte zich vooral op de kortste weg naar werk voor Amsterdammers met een kleine afstand tot de arbeidsmarkt. Dat had als gevolg dat 80% van het budget voor re-integratie werd besteed aan de meest kansrijke groep die slechts een kwart vormt van de totale groep Amsterdammers in de bijstand. Hier gaan we meer balans in aanbrengen.”

Herstelling - het symbool van de oude reintegratie - paste niet in de nieuwe filosofie met als gevolg dat het gemeentelijk Werkbedrijf Herstelling qua naam en activiteiten is weg gereorganiseerd en de gemeente haar traditionele band met de stichting Herstelling de facto heeft verbroken.

De stichting is geheel op eigen benen komen te staan en is als modern re-integratiebedrijf, gespecialiseerd in ernstig overlast gevende (criminele) jongeren, nieuwe wegen ingeslagen en is nieuwe samenwerkingsverbanden aangegaan.

Laatste nieuws